Märklin 1
Door z'n schaalgrootte wordt Märklin 1 ook wel de 'koninklijke' genoemd. Naast de andere modelspoorschalen H0, N en Z, zijn de modellen in Märklin 1 inderdaad een koninklijke verschijning.
Een koninklijke onderscheiding.

Märklin 1 wordt meestal aangeduid als Spoor 1. Met een schaalgrootte van 1:32 en een spoorwijdte van 45 mm. zijn de Spoor 1 locomotieven, rijtuigen en wagens imposante verschijningen op de modelbaan. Veel details, die bij andere schaalgrootes niet of nauwelijks weergegeven kunnen worden, zijn bij alle modellen in al hun representatieve pracht te bewonderen. Vele nieuwe ontwikkelingen die in andere schaalgroottes zoals H0 gemeengoed zijn geworden zoals geluid, hebben hun oorsprong in de 'Formule 1' van Märklin. In bijna alle Spoor 1 locomotieven is naast de hoogvermogen aandrijving ook een digitale decoder ingebouwd. Het besturen van de loc met de vele functies wordt daardoor bijzonder afwisselend. Bijvoorbeeld bij stoomlocomotieven zorgt de geïnstalleerde geluidselektronica voor een extra dimensie op het spoor: de rijgeluiden zijn telkens synchroon met de snelheid van de loc te horen.
Legendarische machines zoals de V 200 of de machtige EMD-F7 naar Amerikaans voorbeeld maken met hun specifieke sound de modelbaan nóg levendiger. Sommige e-locs, zoals de van de serie E 91, kunnen in digitaal bedrijf zelfs hun pantografen omhoog zetten en weer laten zakken.

55563 Voorbeeld: Serie Ce 6/8 II van de Schweizerische Bundesbahnen (SBB/CFF/FFS). Groene uitvoering met vier cabinedeuren in de bedrijfstoestand van tijdperk III.
Model: mfx-decoder met multisoundgenerator. Geregelde hoogvermogenaandrijving met twee motoren. 6 assen aangedreven. Om met wissel- en gelijkstroom, Märklin Digital en Systems te rijden. Frontsein wisselt met de rijrichting, traditioneel in bedrijf, digitaal schakelbaar. Cabineverlichting, bedrijfsgeluiden van eloc, locfluit en directe regeling (optrekversnelling en remvertraging) met Control Unit of Systems schakelbaar. Koppelgeluid (buffers aan buffers), sissen van de perslucht, stationsmededeling in ‘Schwyzerdütsch’ en piepen van de remmen zijn met Systems schakelbaar. Twee andere geluiden (ventilator en luchtpers) zijn met het Central Station schakelbaar. Driedelige opbouw met fijn gedetailleerd rijwerk. Gegoten drijf- en koppelstangen. Op de voorbouw elk 2 stangen met grepen en gemonteerde overloopplaten. 4 deuren kunnen geopend worden. Dakpartijen met veel afzonderlijk gemonteerde details en 2 functionerende pantografen in een uitvoering van een oud type. Buffers met realistische huls-veerbuffers. Standaard gemonteerde schroefkoppelingen door 2 bijgevoegde klauwkoppelingen vervangbaar. Berijdbare minimumboogstraal 1020 mm. Lengte over buffers 60,6 cm. Gewicht 8,82 kg. Levering op presentatiesokkel.
Highlights:
• mfx-decoder.
• Geregelde hoogvermogenaandrijving met 2 motoren.
• Geluidselektronica met 2 luidsprekers.
• Cabine-interieur en -verlichting
• Zwitserse lichtwisseling.
• Speciale geluiden: stationsmedeling in ‘Schwyzerdütsch’.
Beroemdheid voor steile trajecten.
In 1919 lieten de Schweizerische Bundesbahnen een elektrische
locomotief ontwikkelen, die voor de steile Gotthard-lijn geschikt was.
Deze locomotief bekoorde als direct optisch door haar zeker voor die
tijd buitengewoon harmonische formatie. In twee bouwseries ontstonden
in totaal 51 exemplaren van deze driedelige machines van de series Ce
6/8 II (1919-22) en Ce 6/8 III (1926/27). Voor een probleemloze loop
door bogen op de krappe boogstralen op de Gotthardlijn had men een
driedelige gelede constructie gekozen, waarbij de centraal geplaatste
locbak op de beide langgerekte aandrijfdraaistellen steunde. Voor de
aandrijving koos men per drijfasgroep 2 rijmotoren, die over een
voorschakeling op een gemeenschappelijke tussenas werkte. Voor de
krachtoverbrenging op elk van de 3 aangedreven assen van elke
aandrijfgroep werden koppelstangen met keep ingezet. Bij de eerste
bouwserie Ce 6/8 II werd de buitenliggende, aangedreven as zelfs nog
door een afzonderlijk driehoeksframe aangedreven. Het bewegingsverloop
van deze gecompliceerde constructie leidde in combinatie met het
uiterlijk van de gelede opbouw snel tot de aanduiding „Krokodil”,
waarmee deze machines zich tot een van de bekendste locomotieftypen ter
wereld ontwikkelden. Hun buitengewoon lange inzetperiode in het harde
bedrijf tot in de jaren 1980 bewijst de buitengewoon gelukkige hand van
de constructeurs en getuigt van de grote zorgvuldigheid bij de bouw en
het onderhoud.